Kom op Eus, nu een bundel met Jean Pierre Rawie

Boekenplank Levi Weemoedt en Jean Pierre Rawie
Levi Weemoedt, Jean Pierre Rawie en een klassieker waar beide dichters schatplichtig aan zijn: Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens.

Mijn tweede vrouw is zó snel weggelopen
dat zij de eerste nog heeft ingehaald.

Deze regels zijn van Lévi Weemoedt. Ze staan in Pessimisme kun je leren. Özcan Akyol (Eus) stelde de bundel samen. Hiermee blies de columnist en tv-persoonlijkheid nieuw leven in de carrière van de in vergetelheid geraakte Weemoedt. Ik zie het duo optreden op Lowlands en denk: laat Eus nu een bundel samenstellen van Jean Pierre Rawie.

Deel dit blog

Lévi Weemoedt leeft een vergeten bestaan. Menigeen denkt dat hij dood is. Als hij voor zijn huis op de stoep staat, spreken voorbijgangers hem aan: ‘Weet u dat hier de schrijver Lévi Weemoedt heeft gewoond?’

In een gedichtje beschrijft hij wat hij ziet als hij vanuit zijn dakkapel op straat kijkt:

‘k Zie zo vaak verliefde paartjes
even stilstaan voor mijn huis:
‘Daar woont Weemoedt’, wijst de jongen.
En het meisje slaat een kruis.

Weemoedt – echte naam: Isaäk Jacobus van Wijk – is een van de schrijvers die me leerde dat lezen onbedaarlijk leuk kan zijn. Hij treedt in de voetsporen van Piet Paaltjens die de traan zoveel accent geeft dat de lach nooit ver weg is. Weemoedt had de laatste jaren nauwelijks een nagel om zijn kont te krabben, maar dankzij Eus is hij weer helemaal hipperdepip en trekt hij een volle tent op Lowlands.

Wat mij betreft mag Eus zijn promotiepijlen nu richten op een andere dichter en schrijver: Jean Pierre Rawie. Als ík het doe zet het geen zoden aan de dijk, ik zou hem nooit bij De Wereld Draait Door gekregen hebben. Het centrale thema van Rawie is ‘het verglijden van de tijd’, achter elke komma gloort de melancholie. Zijn gedichten zijn toegankelijk, hij schrijft – zoals hij zelf zegt – ‘geen wartaal’. Dat is ook de reden dat zijn versregels regelmatig in rouwadvertenties langskomen. Zijn woorden zijn zelfs uitgehouwen in grafstenen, keurig met bronvermelding. ‘Ik ben daarom waarschijnlijk een van de weinige mensen die bij leven zijn naam reeds terug kan vinden op een zerk’, aldus Rawie. Hij raadt bij het uitzoeken van een rouwtekst dan wel aan gebruik te maken van bestaande poëzie, en niet zelf te gaan fröbelen. Dit leidt dan tot miskleunen als: ‘Haar stoel is leeg, haar stem is stil, eindelijk rust.’ Of: Hij is gelukkig gestorven.

Rawie schrijft poëzie en proza. In zijn boek Mijn ouders hadden één kind en een dochter begint hij zijn verhaal Verdriet als volgt:

Er zijn drie dingen, ik vertel u niks nieuws, die je vrijwel nooit terugkrijgt als je ze uitleent: boeken, paraplu’s en vriendinnetjes. Aan paraplu’s hecht ik niet, en omwille van de beschikbare ruimte zal ik me beperken tot boeken.

Ik smul van zo’n zin. Ik lees likkebaardend verder als hij daarna uitweidt over boeken die hij uitleent en nooit meer terugziet, juist die boeken waar hij het meest op gesteld is. Vaak omdat hij zijn zendingsdrang niet kan beteugelen en zegt: ‘Dit móet je lezen.’

De eerste keer dat ik een gedicht van Rawie lees, dein ik mee op het ritme van de tekst en blijf ik in ontroering achter.

De eerste keer dat ik een gedicht van Rawie lees, dein ik mee op het ritme van de tekst en blijf ik in ontroering achter:

Sterfbed
Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mezelf nu bij zijn bed gezeten

Zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

Het gedicht Begraafplaats klinkt blijmoediger, al dempt ook hier het decor van de dodenakker een al te uitbundige vrolijkheid.

Begraafplaats
De mannetjes die hier wat werken
doen alles maar op hun gemak,
ze harken de paden en de zerken
en scheren de sierheesters strak.

Ze weten van elk van de zerken
het nummer, de rij en het vak;
ze zouden het zeker bemerken
wanneer er een dode ontbrak.

Dat zal ook wel nooit meer gebeuren.
De mannetjes kennen hun plicht,
het hek met de ijzeren deuren
gaat tegen de schemering dicht.

Waarover de treurwilgen treuren,
wie, wie die er wakker van ligt?

Ik hoop op Pessimisme kun je leren, deel 2, opnieuw samengesteld door Eus, maar dan met Jean Pierre Rawie. Ik voorspel opnieuw een kaskraker.

Ben Tekstschrijver

Heb jij een schrijver of dichter waar Eus eens een bundel van zou moeten samenstellen? Wil je dit hieronder toelichten? Een gedicht plaatsen misschien? Je doet mij en de lezers van dit blog hier een groot plezier mee.

Deel dit blog

Reacties Geef een reactie

  1. Heerlijk Ben!
    Waar ik bv van genieten kan is de humor met wijsheid en het lekkere ritme van tekst van Jules Deelder bv : ‘Denken sinds Descartes’

    Sinds Descartes
    wordt het denken
    zwaar overschat

    Denken is een ver-
    tra-gings-pro-ces
    Het leggen van

    noodverband na
    bliksem- of bom-
    inslag. Eerst

    zie je een flits
    Dan hoor je een
    klap en dan be-

    gint het denken
    pas

  2. wat lekker die
    Jean Pierre Rawie.
    Ik houd van sonnetten
    en zijn ritmes zijn heerlijk.

    Ik denk dat ik maar eens een boekje van hem ga kopen. En van Lévi Weemoed dan ook maar. Tot mijn verbazing ligt er van beiden nog niets.

    1. Jean Pierre Rawie is van de strakke stijl, en inderdaad, zijn grote liefhebberij is sonnetten. Zowel Rawie als Weemoedt schrijven proza en poëzie. Als je van beiden een gedichtenbundel wilt aanschaffen, dan zou ‘Pessimisme kun je leren’ voor Weemoedt een instapper kunnen zijn. Dat is de bundel die Eus heeft samengesteld. Is ook aantrekkelijk geprijsd.
      Van Rawie raad ik je ‘Verzamelde verzen’ aan. Wat duurder, maar een prachtig boekwerkje, met harde kaft. Zijn geld (32 euro) meer dan waard.

  3. Heerlijk die somberheid van Dorrestijn

    DE KERKHOFGANGER

    Wat ritselt op de Achterweg
    De Dalmse Steeg voorbij
    Er glipt een schaduw langs de heg
    Onder de bomenrij
    De wind kreunt in de oude eiken
    Hij kan geen hand voor ogen kijken
    Maar de maan breekt door het wolkendek
    En hij klimt over de muur, de gek

    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht
    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht

    Bij een vers gedolven graf
    Werpt hij zijn mantel af
    Hij stoort een dode in haar rust
    Want zie, hij bukt en bukt en kust
    Bij de maan haar schaarse licht
    Kust hij haar marmerbleek gezicht
    Dan scheurt hij zijn hemd van ’t lijf
    Bespringt de dode, koud en stijf

    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht
    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht

    Hij rukt de kleding van de vrouw
    Huiverend van genot en kou
    Levende vrouwen zijn hem te heet
    Te willig met hun lucht van zweet
    Bij het kreunen van de eiken
    Schendt hij nog een drietal lijken
    Daar krast de raaf, daar roept de uil
    Hij opent nog een verse kuil

    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht
    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht

    Van vrouwenlijken met lang haar
    Breekt hij de benen van elkaar
    We zien een dode, half vergaan
    Maar daar trekt hij zich niets van aan
    Haar borsten zijn al weg aan ’t rotten
    Zacht haar schedel, broos haar botten
    Eindelijk komt hij hijend af
    En kruipt bevredigd uit het graf

    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht
    Het kerkhof, het kerkhof
    Het kerkhof bij nacht

    Voor hij huiswaarts zal gaan keren
    Klopt hij de maden uit zijn kleren
    En na het horen van dit lied
    Is een pedofiel zo erg nog niet

    Hans Dorrestijn

    1. Haha, Dorrestein beschrijft wel een heel ongebruikelijke hobby… 🙂 Hij doet dat beeldend, moet ik zeggen.

  4. Ik vind dit nog steeds een pareltje van Lévi Weemoedt:

    Mijn rechteroog houdt het leven voor gezien
    In het linker piepert nog wat leven achter matglas van -10

  5. Aan ‘’Gepolijst Alblast, Acht Eeuwen Italiaanse poëzie’’, beleef ik al 25 jaar regelmatig plezier. Frans van Dooren stelde de bundel in 1994 samen. Het boek bevat veel achtergrond informatie en werk van meer dan 128 auteurs. Af en toe lees ik wat in dit boek, maar nooit lang. Een hele serie gedichten achter elkaar, trek ik niet. Als het dan ook nog van dezelfde dichter is, dan gaat het licht bij mij nog sneller uit.

    1. Ik ken dit niet, ik zie wel dat het tweedehands nog wel te krijgen is. En ik lees ook geen serie gedichten achter elkaar. Een paar en laten bezinken, dat werkt bij mij ook beter.

  6. Ik ga voor Anton Korteweg! Onderstaand 2 pareltjes:

    FEEST
    Ik moest de Hema in. Voor vruchtentaart.
    Goed en goedkoop. Want junior verjaart.
    Als je nou kijkt wat daar los loopt aan vrouw
    dan wil je wel naar huis. Naar die van jou.

    En deze:

    OP VERZOEK
    Dat ik van je hou, dat wil ik dan
    ook wel eens schrijven, nu je dat
    zo vraagt. Want ik hou van je en
    niet eens zo zelden, gezien de
    vierduizend dagen en nachten.

    Dat het lijkt of je nauwelijks
    ouder geworden bent, dat
    je soms nog ver weg kijkt als
    was je verliefd, dat
    je handen nog mooi zijn, verder
    zou ik toch niet willen gaan.

    Dat ik je wang soms zoek en niet
    je mond.

  7. Ja, dichters en schrijvers verdwijnen akelig snel uit de herinnering. Dank voor Rawie, ken ik nauwelijks eigenlijk. Ik gebruik zijn bekende gedicht ‘Ritueel ‘wel eens. Ik moet zelf denken aan J. Bernlef, bekend natuurlijk van Hersenschimmen. Dat is gelijk ook het werk dat in de publieke opinie is blijven hangen. Maar Bernlef schreef ook prachtige gedichten, ook over herinneren:

    HET VRIJE VELD

    Hier waar het niet kan komen
    de woorden elkaar afstoten

    Dit wat men noemt ‘het vrije veld’
    het kent horizon noch grenzen

    Uit de hemel hangen draden, slordig afgehecht
    bewegend in de wind (want altijd waait het daar)

    Verder beweegt er niets Een paar losse stenen
    slurpen zich vol licht (alle schaduwen verdwenen)

    Toch moet het hier ergens zijn, beginnen
    wat men later zijn herinneringen noemt

    Maar nu nog een toestand waar geen mens
    vat op heeft, waarvoor geen woorden zijn:

    Een en al onaantastbare luister.

    1. Dank voor je bijdrage, Rob. Je noemt Ritueel van Jean Pierre Rawie, ook zo prachtig.

      RITUEEL

      Ik houd het kleine ritueel in ere,
      opdat je elk moment terug kunt keren.

      Iedere dag, wanneer het avond wordt,
      maak ik de tafel klaar: een extra bord,

      bestek, je eigen stoel, een kaars, een glas,
      alsof je enkel opgehouden was.

      Ik hoor (hoe kon ik denken dat hetgene
      waardoor ik ben, voor altijd was verdwenen?),

      ik hoor, alsof de woning nog bestond,
      het grind, de klink, het aanslaan van de hond,

      en je komt binnen op het ogenblik
      dat ik de lamp ontsteek, de bloemen schik.

      Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf
      en haast niet opziend van mijn stil bedrijf

      de woorden vind, als was het vanzelfsprekend:
      Schuif aan; tast toe: er is op je gerekend.

  8. Ik heb Duitse Taal en Literatuur gestudeerd en hoewel de Duitse taal buitengewoon rijk is aan prachtige poëzie, heb ik meer met proza. Als ik dan toch een dichter en een gedicht moet uitkiezen, dan ga ik voor Rainer Maria Rilke (Praag 1875 – Valmont (CH)1926) . Ergens rond 1907 zwerft hij in de Jardin des Plantes in Parijs, een botanische tuin met daarin een dierentuin. Daar bevindt zich een panterkooi: een triest hokje met een getraliede uitloop. Hij observeert een panter, die daar eindeloos achter de spijlen heen en weer loopt. Dat inspireert hem tot het volgende beroemde gedicht:

    DER PANTHER

    Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
    so müd geworden, dass er nichts mehr hält.
    Ihm ist alsob es tausend Stäbe gäbe
    und hinter tausend Stäben keine Welt.

    Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
    der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
    ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
    in der betäubt ein grosser Wille steht.

    Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
    sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein,
    geht durch der Glieder angespannte Stille –
    und hört im Herzen auf zu sein.

    Jaren geleden vond je in de dierentuin van Amersfoort ook nog zulke troosteloze kooien. Ooit keek ik daar lang naar een luipaard, dat op een lengte van een meter of zeven onophoudelijk achter de tralies heen en weer liep.Voor het dier moet de wereld uit louter spijlen hebben bestaan. De wereld daarachter nam hij niet waar, maar soms werd zijn aandacht toch door iets getrokken. Dan keek hij even op, maar zijn oog doofde snel om daarna met zijn lenig en gespierd lichaam zijn eentonig loopje te hervatten. De oerkracht van het roofdier getemd door zijn gevangenis. Rilke verwoordt in een subliem poëtische stijl mijn gevoelens van toen. Desgewenst zal er op internet wel een vertaling te vinden zijn.

    1. Hi Hans,
      Ik heb op internet meerdere vertalingen gevonden. Deze vind ik mooi:

      DE PANTER

      Zijn blik is van het langsgaan van de stangen
      zo moe geworden dat hij niets meer ziet.
      Wel duizend stangen houden hem gevangen
      en meer dan duizend stangen is er niet.

      De zachtheid van zijn lenig sterke pas,
      die steeds de allerkleinste ring beschrijft,
      is als een dans van kracht rondom een as
      waarin een machtig willen is verstijfd.

      Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
      geluidloos op -. Dan gaat een beeld erdoor
      naar binnen, glijdt door het van spanning stille
      lijf naar zijn hart – en gaat teloor.

      Uit: De Nieuwe gedichten (vertaald door Peter Verstegen)

      1. Hoe vaker ik deze vertaling lees, hoe meer ik bewondering krijg voor Peter Verstegen. Hij weet de sfeer voortreffelijk te raken en dan ook nog de juiste rijmwoorden te vinden. Om een gedicht goed te vertalen moet jezelf een dichter zijn. Grote klasse!

        1. Hi Hans,

          Ik las een paar vertalingen, maar dit was ‘m. Alles klopt, de toon, de sfeer, het ritme. En dan ook nog op rijm.

          Ik ben het helemaal met je eens: grote klasse!

  9. Heel fijn hoe Özcan een pleidooi houdt voor poëzie en proza, en over de toegankelijkheid. Levi Weemoedt schrijft prachtig en is een mooi voorbeeld.
    Over weemoed gesproken:

    De weemoed komt, de weemoed gaat,
    ik wist dat ze vandaag zou komen
    ik zie het paard
    dat in de regen staat
    maar niet de appels in de bomen.

    1. Ho es,

      De weemoed komt, de weemoed gaat…

      Wat mooi. Klinkt bekend, maar kan het even niet thuisbrengen. Van wie is dit?

      1. Haha, dacht al dat je deze niet kon thuisbrengen. Na Jules Deelder, Anton Korteweg, Frans van Dooren en Raine Maria Rilke kom ik met Toon Hermans aan.
        Hij schreef ook prachtig! Het woord schreien, dat hij meermaals gebruikt vind ik het allermooist..zo’n lieflijk woord voor huilen, je tranen laten vloeien..
        Hij is wel een beetje onderschat vind ik.

  10. In mijn huis, vol met boeken, gaat mijn oog altijd naar de kast met de W, als we het hebben over poëzie. Een van de eerste poëzieboeken die ik als knaap kocht, was van… Lévi Weemoedt. Ik wist niet dat je zó kon lachen om zoiets hoogverhevens als poëzie. Literatuur was al iets maar poëzie… puh!
    ‘Hij leest’ maakte je al bijzonder….’en ook poëzie’! Niet dat mij dat iets kon schelen.
    Enfin van Lévi W. vind ik de alleraardigste treurnis wel deze uit ‘Van harte beterschap’ getiteld:

    CAPITAINE MOBYLETTE

    Van zwart haar moet ‘k zo huilen,
    Van blond krijg ik ’t benauwd….:
    ach! Vind je ’t erg als jij vannacht
    Je bromfietshelm ophoudt?

    En geef ik een rondleiding op het volkstuinencomplex, dan draag ik halverwege het uit meerdere dimensies bestaande ‘Jonge sla’ van Kopland voor…uiteraard bij een bedje sla. En aan het eind van de tuintoer…Georgica van Ida Gerhard:

    GEORGICA
    Labor improbus

    Ik ben een tuinman, niets dan dat,
    met aarde en met mest bespat ;
    ik buig mij neer, ik richt mij op,
    ik klem de schoffel en de schop.

    Ik wied, ik volg mijn diepste wet
    als ik de naakte zaailing zet ;
    ik richt mij op, ik buig mij neer.
    Een tuinman ben ik en niets meer.

    Ga ik met donker stram naar huis,
    de pijn spaart schouderblad noch kruis.
    Ik waak nog als ik rusten mag.
    Mijn land, mijn land : het is kort dag.

    Delft straks uw spa voor mij de wig,
    vergeet waar ik geborgen lig.
    Voorbij mijn moeite, nood en pijn
    moet er een tuin van sterren zijn.

    Nog mooier tot besluit, is echter ‘De terassen van Meudon’ van Albert Verweij. Die laatste strofe…die raakt mij Ben de G.’

    Op trapgesteenten, brokklig, maar gebleven,
    blijf ik dan peinzend en in weemoed staan, –
    want dode dingen zijn die langer leven
    dan wij die werden, welken en vergaan.

    1. Peter, dank voor je mooie bijdragen. We kunnen elkaar de hand geven: ik weet bijna zeker dat de eerste gedichten die ik las, ook van Lévi W. zijn geweest. Al heb ik zijn proza (Bedroefd maar dankbaar) ook verslonden.
      En wat mooi dat je als bevlogen tuinman ook je herkenning vindt in de poëzie van Ida Gerhard. Met ‘een tuin van sterren’ als troostvol vergezicht.
      En de doorleefde weemoed van Albert Verweij met zijn gedachte dat ‘dode dingen’ als brokkelige trapgesteenten langer leven dan jouw levende zelf.

      Ten slotte, je refereert aan Jonge sla van Rutger Kopland. Die wil ik de lezers van mijn blog niet onthouden:

      JONGE SLA

      Alles kan ik verdragen,
      het verdorren van bonen,
      stervende bloemen, het hoekje
      aardappelen, kan ik met droge ogen
      zien rooien, daar ben ik
      werkelijk hard in.

      Maar jonge sla in september,
      net geplant, slap nog,
      in vochtige bedjes, nee.

  11. Waar ik van kan smullen is het Huwelijk van Willem Elschot, met name die regels van het “stervend paard” en “tussen droom en daad”

    HET HUWELIJK

    Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
    in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
    haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
    toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

    Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
    en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
    hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
    en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

    Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
    het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
    Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
    en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

    Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
    Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
    en rennen door het vuur en door het water plassen
    tot bij een ander lief in enig ander land.

    Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
    staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
    en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
    en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

    Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
    en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
    bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
    een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

    ————————————————-
    uit: Verzen van Willem Elsschot (1882-1960)

    1. Beste Rob,
      Natuurlijk mag Het Huwelijk van Willem Elschot in dit overzicht niet ontbreken. Dank dat je dit icoon-gedicht- met de beroemde regel ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren’ – heb toegevoegd.

      Ik blijf bij dit gedicht ook altijd even hangen bij het woord ‘godvergeten’ in de laatste regel. Het betekent iets als ‘verschrikkelijk’. Het woord valt hier wonderwel op zijn plaats. Niet alleen heeft het woord ritme en een alliteratie in zich, het roept ook allerlei beelden op.

      Een man in stoel zit bewegingloos en zwijgend bij het vuur, murw geslagen door een volslagen mislukt huwelijk. Hij voelt zich ‘door god is vergeten’. Maar door dat woord ‘godvergeten’ zie ik ook een man met een tijdbom in zich, iemand die vanuit een niks-meer-te-verliezen-houding in een opwelling zijn geweer pakt en als een wildeman – van god los – om zich heen begint te schieten. Een man die in één moment van opgekropte woede de ‘wetten en praktische bezwaren’ uit het oog verliest.

      In de krantenkop de volgende dag zal ongetwijfeld het woord ‘gezinsdrama’ staan…

  12. Persoonlijk ben ik dol op Anna Enquist, Ben. Ik was op Poetry International. Eeuwen geleden, in 1992, en daar trad ze op, las voor uit haar bundel “Soldatenliederen”
    Deze trof me zeer, over (vrouwen)vriendschap:

    Mijn zilverharige vriendin en ik
    zijn als twee grote appelbomen
    steviger en heerlijker dan ooit in bloei,
    voor de bongerd gerooid wordt.

    Wanneer wij elkaar spreken, bijvoorbeeld
    over het best-bewaarde damesgeheim
    aller tijden, of hoe wij ons
    voegen naar de wet van de wereld,

    almaar, en waarom, zegt zij mij:
    wij zijn bang voor onze eigen kracht.
    En inderdaad, met vreugdevolle
    en opbolderende angst zeil ik daarna

    de trap af: welke onderneming zal ik
    nu eens gaan oprichten, welke harde
    waarheid beschrijven; en ga ik, immers
    in vlam, die oorlog eens voeren?

    En dat, toen nog nooit iemand had gehoord van die afschuwelijke zin: “In je eigen kracht gaan staan.”

    1. Dank voor het delen van Anna Enquist. Heel mooi, vooral dat beeld van die twee appelbomen, die steviger dan ooit in bloei staan, al maakt de zinsnede ‘voor de bongerd gerooid wordt’ de boodschap ook een beetje triest…

  13. Prachtig. Zowel jouw pleidooi voor Rawie als alle gedichten die je als reactie hebt ontvangen. Fijn!

  14. Wat een mooie blog en fijn om al die dichters en gedichten langs te zien komen 🙂
    In mijn eerste jaar van de lerarenopleiding Nederlands deden we Gedichten op video, geleid door Sipko Melissen. Ik speelde in het gedicht ‘Impasse’ van Martinus Nijhoff de rol van huisvader.

    IMPASSE
    Wij stonden in de keuken, zij en ik.
    Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
    Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
    wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

    Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
    en de kans hebbend die ik hebben wou
    dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
    vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

    Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
    haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
    naar de glycine door het tuimelraam.

    Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
    druppelend water op de koffie giet
    en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

    ‘Glycine’ is een bepaald aminozuur, maar hier wordt ‘blauwe regen’ bedoeld.
    Het tafereel begon voor mij te leven door het beeld van die klimplant met blauw-paarse trossen voor een gekanteld open raam. Ik zag de Dichter op gepaste afstand van zijn vrouw in haar jasschort staan. Pas toen ik zelf zijn rol speelde, begreep hoe mooi zijn woordkeuze en opbouw is om dit alledaagse tafereel met ons te delen.

    1. Wat leuk dat je reageert en dan ook nog met dit mooie gedicht van Martinus Nijhoff. Een sonnet, de dichtvorm waar Jean Pierre Rawie ook vaak gebruik van maakt.

      Het is inderdaad een mooi gevangen tafereel. De dichter zal zijn inspiratie uit zichzelf moeten halen, zijn vrouw (muze?) geeft hem de onderwerpen niet op een presenteerblaadje. Maar geen nood, de dichter krijgt inspiratie uit het beeld dat hij voor zich ziet: de stoom van de fluitketel die zich mengt met de blauwe regen en het licht dat door het tuimelraam valt. De geur van koffie die de kamer vult. Poëzie zit in het dagelijkse, als je er maar oog voor hebt. Althans, dat is nu even mijn interpretatie.

      Heel mooi.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *